Het Nederlandse Supplement van

januari/februari 2015

Zijn de wet en de geboden nog relevant?

Vaak wordt binnen de Kerken van God verzucht dat zo weinig andere groepen christenen de Sabbat houden, laat staan Gods Feestdagen vieren of zich aan de voedselwetten houden. Argumenten om zich niet te houden aan de geboden en de wet zijn bijvoorbeeld “Christus heeft ons vrijgemaakt van de wet” of “Het houden van de Sabbat en de feestdagen is het zich weer onderwerpen aan het Oude Verbond, terwijl we vrij zijn in Jezus, dood voor de wet” of “Als ik de Sabbat moet houden, zal Christus me dat laten zien. Tot die tijd doe ik het niet”. Dit artikel behandelt de vraag of deze redenering juist is vanuit Bijbels perspectief.

Zijn de wet en de geboden nog relevant?

Het zijn vaak dezelfde verzen die worden gebruikt om aan te tonen dat de wet dood is voor christenen. Wanneer er vragen over dit onderwerp worden gesteld, dan wordt door de vraagsteller vaak hetzelfde type Bijbelverzen aangehaald. In dit artikel wordt een aantal van de meest gebruikte verzen behandeld, die gebruikt worden om aan te tonen dat een christen niet meer de wet en de geboden zou hoeven te onderhouden. Daarbij wordt het vers geplaatst in de context van de brief en de historische context.

We zijn onder het nieuwe verbond

Het eerste argument dat wordt gebruikt door mensen die willen aantonen dat een christen niet meer onder de wet valt, is gebaseerd op Hebreeën 8:13. Daar staat: “Als Hij spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat oud is verklaard en wat veroudert, staat op het punt te verdwijnen.”

Dit lijkt duidelijk voor de meeste mensen. Hier staat dat de wet en de geboden zijn afgedaan, toch…? Nee, hier staat enkel dat het eerste verbond voor verouderd is verklaard en op het punt staat te verdwijnen. Waar gaat het hier over? Wat bedoelt de schrijver van deze brief?

Kijkend naar Hebreeën 8 in zijn geheel zien we dat dit gaat over Jezus als de Hogepriester, en de profetie van Jeremia 31. Vers 6 tot en met 10 uit Hebreeën 8 zegt: “Nu heeft Hij echter een zoveel voortreffelijker bediening ontvangen, zoals Hij ook van een beter verbond Middelaar is: een verbond dat in betere beloften is vastgelegd. Immers, als dat eerste verbond onberispelijk geweest was, zou er voor een tweede geen plaats zijn gezocht. Want hen berispend zegt Hij tegen hen: Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten, niet overeenkomstig het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb, op de dag toen Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte uit te leiden. Want zij bleven niet in Mijn verbond en Ik heb geen acht meer op hen geslagen, zegt de Heere. Want dit is het verbond dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.”

De laatste verzen zijn een rechtstreekse aanhaling uit Jeremia 31:31-34. Dit is de profetie over de belofte van een nieuw verbond. Dit is de belofte van de heilige Geest, maar het gaat ook over de eeuwige erfenis. Hebreeën 9 legt dit verder uit en vers 15 vat het samen als: ”En daarom is Hij de Middelaar van het nieuwe verbond, opdat, nu de dood heeft plaatsgevonden tot verzoening van de overtredingen die er onder het eerste verbond waren, de geroepenen de belofte van de eeuwige erfenis ontvangen.”

Het vers Hebreeën 8:13 staat niet op zichzelf. Dit vers dient in de context van de brief te worden gelezen en met name hoofdstuk 8 en 9 dienen samen te worden gelezen. Het gaat hier niet om de wet of de geboden, maar om het verkrijgen van een nieuw verbond met betere beloften. Het zegt niets over het al dan niet meer behoeven te houden van de geboden. Degenen die dat wel zo zien, doen de aanname dat het oude verbond en de wet en het houden van de geboden aan elkaar zijn gekoppeld.

Laten we verder gaan met een ander vers dat vaak wordt aangehaald.

Christus is het einde van de wet

Paulus zegt in de brief aan de Romeinen het volgende: “Christus is het inde van de wet” (NBG). Volgens sommigen lijkt Paulus hier te suggereren dat de wet heeft afgedaan na het offer van Christus.

Ook hier geldt weer: kijk naar de context. Waar gaat Romeinen 10 over? Vers 1-3 geeft de context aan: “Broeders, de oprechte wens van mijn hart en mijn gebed tot God voor Israël is gericht op hun zaligheid. Want ik getuig van hen dat zij ijver voor God hebben, maar niet met het juiste inzicht. Omdat zij immers de gerechtigheid van God niet kennen en een eigen gerechtigheid tot stand proberen te brengen, hebben zij zich niet aan de gerechtigheid van God onderworpen.”

Paulus spreekt hier over het feit dat gerechtigheid niet voortkomt uit het houden van de wet, wat een issue was voor de eerste Joodse christenen. En daarover gaat hij verder in vers 4 (nu uit HSV): “Want het einddoel van de wet is Christus, tot gerechtigheid voor ieder die gelooft” en vers 9: “Als u met uw mond de Heere Jezus belijdt en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u zalig worden.”

Heel hoofdstuk 10 gaat over die discussie en Paulus haalt daarbij veel Schriftgedeelten uit het Oude Testament aan. Christus is niet het einde, maar het einddoel. Dat woord is een veel betere vertaling van het originele Griekse woord. Gerechtigheid en zaligheid komen niet voort uit het houden van de wet, maar uit het geloof en uit belijdenis. Met andere woorden: we hebben nog altijd geen vers, dat bewijst dat we de geboden niet meer zouden moeten houden. We hebben enkel het bewijs gevonden dat er een beter verbond is en dat behoud niet zelf “verdiend” kan worden.

Leven onder de genade

Een vers dat veel meer toelichting behoeft, is Romeinen 6:14: “U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade.” Paulus geeft hier een waarschuwing aan de gemeente in Rome. Dit thema wordt ook in andere brieven van Paulus benoemd, zoals in de brief aan de Galaten. Ook bij dit vers is de vraag: Waar gaat het om? Wat is de discussie hier?

Er worden in Romeinen 6 twee vragen gesteld, en vers 14 staat er tussen in. De eerste vraag (vers 1) en de tweede vraag (vers 15) worden door Paulus zelf beantwoord. Beide gaan om de vraag of we in zonde mogen blijven. Vers 14 is een samenvatting van de eerste vraag en een inleiding op de tweede, en daarom kan dit vers niet uit zijn context worden gehaald. Dit vers moet gelezen en begrepen worden in samenhang met de twee vragen die Paulus stelt met de antwoorden daarop.

De eerste vraag met het daarbij behorend antwoord is dan: “Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt? Volstrekt niet! Hoe zullen wij, die aan de zonde gestorven zijn, nog daarin leven?” Paulus is erg duidelijk: Niet zondigen! Wat is zondigen? Dat is het overtreden van Gods wet (zie 1 Johannes 3:4). Sommigen gebruikten de redenering dat het offer van Christus veel groter zou worden naarmate ze meer zouden zondigen. Sommigen zondigden juist daarom expres en uitvoerig. We hebben echter de belofte van Zijn genade door Zijn offer – zondig dus niet meer! Legitimeer daarom geen zonde, omdat we onder de genade vallen. Dát is waar Paulus over spreekt.

De verzen in Romeinen 6 gaan erover dat we verlost zijn van de straf of de geestelijke consequentie van zonde. Hoe? Paulus legt dat uit in de verzen 2-5: “Of weet u niet dat wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen. Want als wij met Hem één plant [samengegroeid zijn, NBG] zijn geworden, gelijkgemaakt aan Hem in Zijn dood, dan zullen wij ook aan Hem gelijk zijn in Zijn opstanding.”

Het gaat er hier om dat wij door de doop in Christus net zoals Christus zijn gestorven. Wij zijn in Zijn dood gedoopt. Door Zijn opstanding zullen wij in een nieuw leven wandelen. Christus is gestorven voor onze zonden. Wij zijn door de doop in Zijn dood gevrijwaard van de straf van de zonde, zijnde de eeuwige dood, zie vers 23.

Paulus geeft dan in de verzen 6 en 7 eerst nog een toelichting op dat eerste deel van vers 5: “Dit weten wij toch, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde tenietgedaan zou worden en wij niet meer als slaaf de zonde zouden dienen. Want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde. Als wij nu met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven.” De dood die wordt voorgesteld door de doop maakt ons dus vrij van de wet, maakt ons vrij van de straf van het overtreden van de wet. Vandaar dat het uit het water komen na de volledige onderdompeling in het doopwater op basis van deze verzen traditioneel ook wel het “rijzen uit het watergraf” wordt genoemd.

Het tweede deel van vers 5 aangaande het aan Hem gelijk zijn in de opstanding wordt toegelicht in de verzen 8-10: “Als wij nu met Christus gestorven zijn, geloven wij dat wij ook met Hem zullen leven. Wij weten toch dat Christus, nu Hij is opgewekt uit de doden, niet meer sterft. De dood heerst niet meer over Hem. Want wat Zijn sterven betreft, is Hij voor eens en altijd voor de zonde gestorven, en wat Zijn leven betreft, leeft Hij voor God.” Paulus leert ons hier dat Christus’ dood aan de zonde en leven voor God te beschouwen als iets waaraan we deel hebben vanwege de eenheid met Hem.

Dan volgt de samenvatting in de verzen 11-14: “Zo dient ook u uzelf te rekenen als dood voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus, onze Heere. Laat de zonde dan niet in uw sterfelijk lichaam regeren om aan de begeerten daarvan te gehoorzamen. En stel uw leden niet ter beschikking aan de zonde als wapens van ongerechtigheid, maar stel uzelf ter beschikking aan God, als mensen die uit de doden levend geworden zijn. En laat uw leden wapens van gerechtigheid zijn voor God. Want de zonde zal over u niet heersen. U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade.

In Romeinen 13:8 lezen we: “Wees niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld.” Nu hebben we net in Romeinen 6:14 gelezen dat we niet onder de wet zijn, maar onder de genade. Maar we vervullen wel de wet als we elkaar liefhebben. We hebben een wet nodig om de wet te kunnen vervullen. Paulus is consistent in zijn brief. In Romeinen 8:4 had hij immers al gezegd: “Opdat de rechtvaardige eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.”

Dit alles bevestigt het reeds gemaakte punt: De zonde wordt niet gelegitimeerd omdat we onder de genade vallen. Daarbij kunnen we nu aanvullen: De wet stelt een rechtvaardige eis aan ons die onder de genade zijn. Daar houdt de volgende vraag van Paulus in Romeinen 6:15 ook een direct verband mee: “Wat dan? Zullen wij zondigen omdat wij niet onder de wet maar onder de genade zijn? Volstrekt niet! Weet u niet dat aan wie u uzelf als slaaf ter beschikking stelt tot gehoorzaamheid, u slaaf bent van wie u gehoorzaamt: óf van de zonde, tot de dood, óf van de gehoorzaamheid, tot gerechtigheid?” Christus spreekt hier ook over als Hij in Johannes 8:34 zegt: “Ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde.”

Doorgaand in Romeinen 6:17-18: “Maar God zij dank: u was wel slaaf van de zonde, maar nu bent u van harte gehoorzaam geworden aan het voorbeeld van de leer waaraan u overgegeven bent. En, vrijgemaakt van de zonde, bent u dienstbaar gemaakt aan de gerechtigheid.” Dus we spreken hier over een keuze. We zijn nu gehoorzaam aan de gerechtigheid, die enkel in en van Jezus Christus is (2 Korinthe 5:21).

Dit is een belangrijk thema door alle eeuwen heen. In de begintijd van de Kerk waren Joodse christenen in de meerderheid en velen van hen geloofden dat behoud uit werken voortkwam, uit het houden van de fysieke aspecten van de wet. Zij probeerden dit ook op te leggen aan de niet-Joodse christenen. In de christelijke kerken tegenwoordig is die balans volledig de andere kant doorgeslagen en is de wet in zijn geheel overboord gegooid en gaat het enkel om geloof. Zonde is in hun ogen niet relevant meer. Christus en Zijn discipelen spreken echter zowel het één als het ander tegen.

Paulus zegt in Galaten 2:15-16: “Wij, die van nature Joden zijn, en geen zondaars uit de heidenen, weten dat een mens niet gerechtvaardigd wordt uit werken van de wet, maar door het geloof in Jezus Christus. En ook wij zijn in Christus Jezus gaan geloven, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden uit het geloof van Christus en niet uit werken van de wet. Immers, uit werken van de wet wordt geen vlees gerechtvaardigd.” Er zijn vele andere verzen in de Bijbel die dit ook onderbouwen. Rechtvaardiging en behoud komen niet uit werken van de wet voort. Dat is geen discussiepunt in het Nieuwe Testament.

Rechtvaardiging en behoud komen enkel door Jezus Christus. Maar dan gaat Paulus door (vers 17-21): “Maar als wij, die in Christus verlangen gerechtvaardigd te worden, ook zelf zondaars blijken te zijn, is Christus dan een dienaar van de zonde? Volstrekt niet! Want als ik dat wat ik afgebroken heb, weer opbouw, dan bewijs ik daarmee dat ik zelf een overtreder ben. Want ik ben door de wet voor de wet gestorven, opdat ik voor God zou leven. Ik ben met Christus gekruisigd; en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij; en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven. Ik doe de genade van God niet teniet; want als er gerechtigheid door de wet zou zijn, dan was Christus tevergeefs gestorven.”

Dus: We kunnen het niet zelf verdienen om bij God te komen. De wet is in ons hart geschreven, we hebben de heilige Geest ontvangen en we hebben gekozen voor God en daarmee om Hem te gehoorzamen. We zijn geen dienaar meer van de zonde. De vruchten van die beslissing zijn dat wij er dagelijks naar streven om de wet te vervullen omdat we niet anders kunnen, om de wet te vervullen door lief te hebben, blij te zijn, vrede met alle mensen te hebben en te houden, geduldig te zijn, vriendelijk te zijn, goed te doen, te leven vanuit geloof, daarin te groeien, zachtmoedig te zijn, dankbaar te zijn, goed te doen, vrijgevig te zijn, opbouwend te zijn, nederig te zijn…enzovoort.

Dus: zegt Paulus dat de wet is afgeschaft? Nee! Paulus schrijft in vele verzen uitermate positief over de wet, bijvoorbeeld in 1 Korinthe 7:19 “Want besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wel het houden van Gods geboden.” Of Romeinen 7: 12 en 22: “Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed” En: “Naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods.”

Dus de wet en de geboden hebben níet afgedaan. We zijn door de doop in de dood gevrijwaard van de straf van de zonde: de eeuwige dood. We zijn echter geen dienaars meer van de zonde en we dienen de wet te vervullen in liefde. We kunnen behoud echter niet zelf verdienen door ons aan de wet te houden. Dat lijkt een tegenstelling, maar dat is het niet. Er is gewoon geen rechtvaardiging uit de wet. Daarover gaan Romeinen 6:14 en Galaten 2.

Niet terugkeren naar oude beginselen

Een andere tekst die vaak wordt aangehaald om te bewijzen dat we de wet en de geboden niet meer behoeven te onderhouden, is Galaten 4:9-10: “En nu u God kent, ja wat meer is, door God gekend bent, hoe kunt u weer terugkeren naar de zwakke en arme grondbeginselen, die u weer van voren af aan wilt dienen? U houdt zich aan dagen, maanden, tijden en jaren.”

Men ziet in Paulus’ vermelding van “dagen, maanden, tijden en jaren” een argument tegen het houden van de Sabbat en “de zwakke grondbeginselen” als een verwijzing naar Gods wet en de geboden. Maar denkt u werkelijk dat Paulus naar de Sabbat refereert als hij spreekt over de “zwakke en arme grondbeginselen, die u weer van voren af aan wilt dienen”?

Op de eerste plaats is het zo dat het woord Sabbat hier of ergens anders in de brief niet wordt genoemd. De Sabbat heeft er gewoonweg niets mee te maken! De Griekse woorden die Paulus gebruikte voor “dagen, maanden, vaste tijden en jaren” worden overal in het NT gebruikt om normale, burgerlijke tijdsperioden te beschrijven. Deze woorden zijn niet dezelfde als de precieze termen die Paulus gebruikte in Kolossenzen 2:16 om de in de Bijbel vermelde vieringen van de Sabbatten, feesten en nieuwe maan te omschrijven.

Wat bedoelde Paulus dan wel? Ook hier moeten we naar de Bijbelse context kijken, maar ook naar de historische context. De gemeenten in Galatië bestonden hoofdzakelijk uit leden van heidense, dus niet-Joodse afkomst. Paulus maakte duidelijk dat zij fysiek onbesneden waren (zie Galaten 5:2 en 6:12-13), dus zij kunnen niet Joods zijn geweest. Deze achtergrond is belangrijk voor het begrijpen van dit Schriftgedeelte.

Aangezien de Galaten van heidense afkomst waren, kunnen deze “zwakke en arme grondbeginselen, die u weer van voren af aan wilt dienen“, waaronder “dagen, maanden, vaste tijden en jaren” moeilijk worden verklaard als de wekelijkse en/of jaarlijkse sabbatten, omdat ze daar niet naar konden terugkeren in die zin dat zij deze vroeger niet gevierd hadden. Dit wordt nog duidelijker gemaakt door de directe Bijbelse context. In vers 8 zegt Paulus: ”Maar destijds, toen u God niet kende, diende u hen die van nature geen goden zijn”, verwijzend naar heidense goden.

Welke “dagen, maanden, vaste tijden en jaren” de Galaten ook in acht namen (het Griekse paratereo dat “bewaken” of ”letten op” betekent), zij deden dit blijkbaar op een bijgelovige wijze, zoals zij zich vóór hun bekering aan dagen en tijden hadden gehouden. Het heeft verder niets te maken met het al dan niet houden van de wekelijkse en jaarlijkse Sabbatten.

Woorden van Christus zelf

Het is frappant dat er vrijwel nooit uitspraken van Christus zelf vanuit de Evangeliën worden gebruikt om te bewijzen dat de wet niet langer van toepassing is. Dat is ook moeilijk, want het is Jezus Zelf Die aangeeft in Mattheüs 5:17-19: “Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen. Want, voorwaar, Ik zeg u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet één jota of één tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles geschied is. Wie dan een van deze geringste geboden afschaft en de mensen zo onderwijst, zal de geringste genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar wie ze doet en onderwijst, die zal groot genoemd worden in het Koninkrijk der hemelen.” Vervolgens geeft Christus het geestelijk principe aan van het 6e t/m 10e gebod en nog een paar andere geboden.

In de discussie met de rijke jongeling in Mattheüs19:17 zegt Jezus: “Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed behalve Eén, namelijk God. Maar wilt u tot het leven ingaan, neem dan de geboden in acht.” De NBG vertaling zegt zelfs “onderhoud de geboden”!

In 1 Johannes 2:3-6 worden deze geboden de geboden van Jezus zelf genoemd: “En hierdoor weten wij dat wij Hem kennen, namelijk als wij Zijn geboden in acht nemen. Wie zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet in acht neemt, is een leugenaar en in hem is de waarheid niet. Maar ieder die Zijn woord in acht neemt, in hem is werkelijk de liefde van God volmaakt geworden. Hierdoor weten wij dat wij in Hem zijn. Wie zegt in Hem te blijven, moet ook zelf zo wandelen als Hij gewandeld heeft.” Johannes herhaalt dit later in de brief in 1 Johannes 5:3. Er zijn vele andere verzen in het NT te noemen, die bevestigen dat we de geboden – de wet – dienen te houden.

Gods Woord is niet met zichzelf in tegenspraak. Het is volledig en dient in Zijn geheel gezien te worden. We kunnen niet hier en daar verzen gebruiken zonder rekening te houden met de Bijbelse en historische context om daarmee te trachten aan te tonen dat de wet niet meer geldig is voor ons – dat is volledig onterecht, zoals in dit artikel is aangetoond.

Als u wordt gevraagd om uitleg te geven waarom u doet wat u doet, wees dan klaar om een antwoord te geven, zoals Jezus was toen de duivel Hem trachtte te verleiden. Als mensen verzen tegen u gebruiken: kijk naar de context, waar gaat het om. Kijk naar de historische context: aan wie wordt het geschreven en kijk wat de schrijver nog meer over dit onderwerp heeft te zeggen in andere door hem geschreven brieven, en check dit met de woorden van Jezus Zelf in de evangeliën en de woorden van God in het Oude Testament.

© Verenigde Kerk van God, Postbus 93, 2800 AB Gouda. Tel: 06-29601189. info@verenigdekerkvangod.org – www.verenigdekerkvangod.org.

Financieel steunen? Rekeningnummer NL43ABNA0538360747 of NL72INGB0003561825 t.n.v. Verenigde Kerk van God te Gouda. “ANBI geregistreerd”.

Het Nederlandse Supplement van Beyond Today

Een exemplaar aanvragen
Vul hieronder uw gegevens in en wij sturen u een gedrukt exemplaar van onze gratis brochure, ‘Zijn de wet en de geboden nog relevant?’.
Abonneer u gratis op Beyond Today!

Vul hieronder uw gegevens in voor een abonnement op onze gratis gedrukte editie van het tweemaandelijkse tijdschrift Beyond Today.

Alle Artikelen

Cookiebeleid

Deze website gebruikt cookies om informatie op uw computer op te slaan. Sommige van deze cookies zijn essentieel om onze site te laten werken en andere helpen ons te verbeteren door ons inzicht te geven in hoe de site wordt gebruikt.

Door onze site te gebruiken aanvaardt u de voorwaarden van ons Privacybeleid.

Ledenruimte

Dit is een besloten gedeelte voor leden en vrienden van de Verenigde kerk van God